menu-kind
driekhoek

Veelgestelde vragen

Governance

Voor het toezicht op de (kwaliteit van de) uitvoering van de taken richt elk samenwerkingsverband een vorm van intern toezicht in. Daarnaast houdt de Inspectie van het Onderwijs toezicht op de kwaliteit van de samenwerkingsverbanden.

Intern toezicht
Een samenwerkingsverband organiseert het interne toezicht op het bestuur. Doel hiervan is toezien op onder meer de naleving van de statuten, het financieel beheer en het bereiken van de doelen van het samenwerkingsverband.

Toezicht door inspectie
Om de kwaliteit van het samenwerkingsverband te kunnen beoordelen, onderzoekt de onderwijsinspectie of de leerlingen de ondersteuning krijgen waar zij recht op hebben, de doelmatigheid van de bestuurlijke en organisatorische inrichting van de samenwerkingsverbanden en de besteding van middelen (is deze rechtmatig en doelmatig). Meer informatie over het toezicht en waarderingskader voor samenwerkingsverbanden vind je hier.

Om de kwaliteit van het samenwerkingsverband te kunnen beoordelen, is het nodig:

  • te weten of leerlingen de ondersteuning krijgen waar zij recht op hebben;
  • zicht te hebben op de doelmatigheid van de bestuurlijke en organisatorische inrichting van de samenwerkingsverbanden;
  • te weten of de besteding van middelen rechtmatig en doelmatig is.

Bij een kwaliteitsonderzoek maakt de inspectie gebruik van een waarderingskader. De inspectie gebruikt drie kwaliteitsaspecten: 1. Resultaten 2. Management en organisatie 3. Kwaliteitszorg.

Het toezicht is risicogestuurd. Als uit een risicoanalyse blijkt dat er signalen of aanwijzingen zijn dat het samenwerkingsverband onvoldoende kwaliteit levert, voert de inspectie een kwaliteitsonderzoek uit. Tijdens dat kwaliteitsonderzoek stelt de inspectie aan de hand van een waarderingskader vast of er tekortkomingen zijn. Voor de risicoanalyse hanteert de inspectie een risicomodel dat is gebaseerd op 6 parameters. Deze zijn ook te vinden in het toezichtkader samenwerkingsverbanden (zie onderzoekskaders po, vo en (v)so)

In en om school

Vanaf 14 juli 2019 mogen hulphonden in geen enkele openbare gelegenheid meer worden geweigerd. Onder openbare ruimtes vallen restaurants, hotels, openbare gebouwen, scholen maar ook taxi’s. Deze wetgeving is het gevolg van de ratificatie door Nederland van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Sinds het Verdrag in werking is getreden houdt het College voor de Rechten van de Mens toezicht op de implementatie en de naleving van het Verdrag.

Een school mag een leerling weigeren als de school vol is. Maar, een school moet altijd een consequent en transparant toelatingsbeleid voeren. Daarbij hoort dat het toelatingsbeleid ook voor de ouders toegankelijk is.

Transparant toelatingsbeleid
De school kan bijvoorbeeld in de schoolgids en/of op de website van de school een toelichting geven over het beleid. Wanneer er te veel aanmeldingen zijn, moet de school op een transparante wijze handelen. Als de school vol is, moet het voor ouders duidelijk zijn hoeveel plaatsruimte er op de school is en hoeveel aanmeldingen er zijn. Ook moet voor ouders altijd transparant zijn dat de aanmelding van hun kind op gelijke wijze is behandeld als alle andere aanmeldingen. De school kan bijvoorbeeld loting toepassen of de eerste aanmeldingen plaatsen en daarna werken met een wachtlijst. De school mag ook voorrangsregels toepassen zoals broertjes-zusjes-regelingen of voor bepaalde postcodegebieden.

Niet toegestaan beleid
Beleid dat leerlingen met extra ondersteuningsbehoefte benadeelt ten opzichte van overige leerlingen, is niet toegestaan. Ook niet toegestaan is bijvoorbeeld beleid dat een maximum stelt aan de toelating van het aantal leerlingen dat extra ondersteuning nodig heeft, of beleid dat erop is gericht om voorrang te geven aan leerlingen zonder extra ondersteuningsbehoefte.

Als een school vol zit en ouders melden hun kind (schriftelijk) aan, dan heeft het schoolbestuur geen zorgplicht in het kader van passend onderwijs voor deze leerling. Ook niet als het schoolbestuur de leerling op een wachtlijst plaatst. Maar het mag nooit zo zijn dat een samenwerkingsverband geen passende plaats biedt aan een leerling met extra ondersteuningsbehoefte. Er is dan namelijk geen sprake van een dekkend ondersteuningsaanbod.

 

Ja , het is mogelijk om een leerling van een reguliere basisschool een deel van het onderwijsprogramma te laten volgen op een andere reguliere basisschool. Onder voorwaarden kan een leerling van een reguliere basisschool dus een deel van het onderwijsprogramma volgen op een andere reguliere basisschool.

De voorwaarden zijn vastgelegd in artikel 34.11 van het Besluit bekostiging WPO, waarvan een belangrijke voorwaarde is dat een leerling gedurende een termijn van ten hoogste drie maanden aaneengesloten het volledige onderwijsprogramma kan volgen.

Verder wordt de eis gesteld dat een schriftelijke overeenkomst tussen de betrokken schoolbesturen wordt gesloten. Hierin wordt de termijn bepaald waarin de leerling onderwijs op de andere school volgt, welk deel van het onderwijsaanbod, het aantal lesuren per week per vak/onderwijsactiviteit en de aanwezigheid van een leraar van de school en andere begeleiding van de leerling. Ook worden afspraken gemaakt over eventuele verrekeningen van personele of materiële kosten.

Dat is vastgelegd in artikel 15 WPO en als uitgewerkt in de AMvB (Stb. 2016, 235).

Als ouders het niet eens zijn met de geboden plek, hebben ze een aantal mogelijkheden. De eerste stap is samen met de school proberen om een oplossing te vinden. Als ouders er met de school niet uitkomen, kunnen ze de volgende stappen zetten:
• Ouders kunnen bezwaar maken bij het bevoegd gezag van de school.
• Ouders kunnen contact opnemen met het samenwerkingsverband van de school van aanmelding.
• Ouders (of school) kunnen de hulp inroepen van een onderwijsconsulent.
• Ouders kunnen een oordeel vragen aan de tijdelijke landelijke geschillencommissie passend onderwijs.
• Ouders kunnen een oordeel vragen aan het College voor de Rechten van de Mens.
• Ouders kunnen naar de rechter stappen.

Ja. Er is een Geschillencommissie passend onderwijs (voor po, vo, en (v)so gezamenlijk). Deze commissie oordeelt bij meningsverschillen over toelating of verwijdering van leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben en over het ontwikkelingsperspectief. De commissie bestaat uit deskundigen en doet binnen 10 weken uitspraak als een geschil wordt voorgelegd. Bij haar oordeel houdt ze rekening met het schoolondersteuningsprofiel en het ondersteuningsplan. Meer informatie over de Geschillencommissie passend onderwijs.

Ouders kunnen bij geschillen over toelating en verwijdering ook bezwaar maken bij de school, een oordeel vragen aan het College voor de Rechten van de Mens of beroep aantekenen bij de rechter. Mocht de ouder na een uitspraak van de geschillencommissie alsnog naar de rechter stappen, dan neemt de rechter het oordeel van de geschillencommissie mee bij de afweging.

Passend Onderwijs

Ouders & Onderwijs
Ouders & Onderwijs is hét informatiepunt voor ouders, de gesprekspartner voor de overheid en de onderwijssector en de verbinder van ouders rond het onderwijs. Ouders kunnen met alle vragen over onderwijs en voor persoonlijk advies contact opnemen met het informatiepunt. Via email vraag@oudersonderwijs.nl of op schooldagen van 10.00 uur tot 15.00 uur ook telefonisch te bereiken op 0800-5010 (gratis vanaf een vaste telefoon).

Bekijkt u hier de infographic ‘Het gaat niet goed met je kind. Wat nu?’

Ieder(in)
Ieder(in) streeft ernaar dat chronisch zieken en mensen met een beperking volwaardig mee kunnen doen aan de maatschappij. Ieder(in) geeft ook hulp en advies. Informatie hierover vind je op deze pagina.

Onderwijsconsulenten
Ook de onderwijsconsulenten hebben handige brochures gemaakt voor ouders:

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Ook op de website van het ministerie van OCW is veel informatie beschikbaar voor ouders.

Door de invoering van passend onderwijs hebben scholen een zorgplicht. Ook is het schoolbestuur verantwoordelijk voor de kwaliteit van onderwijs aan leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben. De inspectie houdt toezicht op de kwaliteit van het onderwijs op scholen. In de onderzoekskaders VO en VSO wordt beschreven hoe de inspectie werkt, wat wordt beoordeeld en wanneer het onderwijs van voldoende kwaliteit is.

Elke school zal door de inspectie worden voorzien van een kwaliteitsprofiel. Een kwaliteitsprofiel laat op een aantal cruciale kwaliteitsgebieden zien welk niveau de school levert en waar verbeteringen mogelijk zijn.
De vijf kwaliteitsgebieden zijn:
1. onderwijsresultaten
2. onderwijsproces
3. schoolklimaat en veiligheid
4. kwaliteitsborging en ambities
5. financiën en materiële voorzieningen

Bij het informatiepunt van Ouders & Onderwijs kunnen ouders terecht met alle vragen over passend onderwijs, bijvoorbeeld een vraag over de schoolplaatsing van hun kind dat extra ondersteuning nodig heeft, over de invulling van extra ondersteuning en begeleiding, over medezeggenschap in passend onderwijs en over de manier waarop ouders zelf ondersteund kunnen worden.

Informatie over het onderwijssysteem en passend onderwijs is te vinden op www.european-agency.org. Daar kunt u klikken op landeninformatie en dan Nederland.

Per 1 augustus 2014 is de nieuwe Wet passend onderwijs ingegaan. Scholen hebben vanaf dat moment een zorgplicht. Dat betekent dat zij samen met andere scholen en instellingen in de regio ervoor zorgen dat elk kind een passende onderwijsplek krijgt. Op de eigen school – eventueel met extra ondersteuning – op een andere school of in het (voortgezet) speciaal onderwijs. Het doel van de nieuwe wet is om zo veel mogelijk leerlingen regulier onderwijs te laten volgen. Want zo worden ze het best voorbereid op een vervolgopleiding en doen ze zo goed mogelijk mee in de samenleving. Het speciaal onderwijs blijft gewoon bestaan voor leerlingen die dat echt nodig hebben.

Samenwerkingsverbanden

De school waar de leerling wordt aangemeld heeft de zorgplicht. Dat betekent dat de school verantwoordelijk is voor het bieden van een passende plek voor de leerling, als er plaatsruimte is op de school van aanmelding. Zodra dit het geval is beoordeelt de school eerst of zij de leerling zelf de benodigde ondersteuning kan bieden. Als dat niet het geval is, gaan ouders en school in gesprek over een plek op een andere school die de leerling wel een passend aanbod kan bieden.

Om de kwaliteit van het samenwerkingsverband te kunnen beoordelen, is het nodig:

  • te weten of leerlingen de ondersteuning krijgen waar zij recht op hebben;
  • zicht te hebben op de doelmatigheid van de bestuurlijke en organisatorische inrichting van de samenwerkingsverbanden;
  • te weten of de besteding van middelen rechtmatig en doelmatig is.

Bij een kwaliteitsonderzoek maakt de inspectie gebruik van een waarderingskader. De inspectie gebruikt drie kwaliteitsaspecten: 1. Resultaten 2. Management en organisatie 3. Kwaliteitszorg.

Het toezicht is risicogestuurd. Als uit een risicoanalyse blijkt dat er signalen of aanwijzingen zijn dat het samenwerkingsverband onvoldoende kwaliteit levert, voert de inspectie een kwaliteitsonderzoek uit. Tijdens dat kwaliteitsonderzoek stelt de inspectie aan de hand van een waarderingskader vast of er tekortkomingen zijn. Voor de risicoanalyse hanteert de inspectie een risicomodel dat is gebaseerd op 6 parameters. Deze zijn ook te vinden in het toezichtkader samenwerkingsverbanden (zie onderzoekskaders po, vo en (v)so.

In het ondersteuningsplan legt het samenwerkingsverband vast hoe passend onderwijs in hun regio wordt vormgegeven. Dit ondersteuningsplan wordt ten minste 1 keer per 4 jaar opgesteld. Het ondersteuningsplan is gebaseerd op de schoolondersteuningsprofielen van de deelnemende scholen.

Inhoud van het ondersteuningsplan

In het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband VO-VSO worden de volgende onderdelen beschreven:

  • Welke basisondersteuning wordt geboden aan leerlingen op alle vestigingen van scholen in het samenwerkingsverband;
  • De manier waarop het samenwerkingsverband een samenhangend geheel van voorzieningen organiseert voor extra ondersteuning binnen de scholen en/of bovenschools;
  • De procedure en de criteria voor de plaatsing van leerlingen op scholen voor voortgezet speciaal onderwijs (vso) of het praktijkonderwijs (pro); de procedure en criteria voor het beoordelen of een leerling is aangewezen op het leerwegondersteunend onderwijs (lwoo) en de duur van de ondersteuningstoewijzing lwoo;
  • De procedure en het beleid voor de terugplaatsing of overplaatsing naar het voortgezet onderwijs voor leerlingen van wie de duur van de toelaatbaarheidsverklaring is afgelopen;
  • De beoogde en bereikte kwalitatieve en kwantitatieve resultaten van het onderwijs aan leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben;
  • De manier waarop het samenwerkingsverband ouders informeert over de ondersteuningsvoorzieningen en over de onafhankelijke ondersteuningsmogelijkheden voor ouders;
  • Financiën:
    – De procedure en criteria voor de verdeling, besteding en toewijzing van ondersteuningsmiddelen en ondersteuningsvoorzieningen aan de scholen, inclusief een meerjarenbegroting. Het gaat hierbij zowel om het budget voor zware ondersteuning als voor lichte ondersteuning.
    – De afspraken die zijn gemaakt over de overdracht van middelen voor zware ondersteuning voor leerlingen die na de jaarlijkse teldatum van 1 oktober instromen in het (v)so, inclusief de afspraken die zijn gemaakt over de overdracht van middelen aan het samenwerkingsverband door scholen bij een ontoereikend budget voor zware ondersteuning.
    – De voorwaarden die worden gelden voor scholen om in aanmerking te komen voor een LWOO-licentie en daarmee voor bekostiging van leerwegondersteunend onderwijs.

Vaststelling ondersteuningsplan

Voordat het plan kan worden vastgesteld, voert het samenwerkingsverband op overeenstemming gericht overleg (OOGO) met de gemeente(n). Ook moet de ondersteuningsplanraad (OPR) instemmen met het ondersteuningsplan.

Het is belangrijk dat er een transparante samenhang is tussen de inhoudelijke plannen van het samenwerkingsverband en de inzet van de financiën. Een programmatisch opgebouwde begroting voorziet hier in. De begrotingsmodellen die de VO-raad faciliteert voorzien hier in.

Verder is het van belang te weten wat het financieel perspectief van het samenwerkingsverband is, krijgt men de komende jaren te maken met een positieve of met een negatieve verevening. Voorts is het noodzakelijk kennis te hebben van de overgangsregels in de bekostiging.

Tenslotte is het van groot belang dat het samenwerkingsverband het financieel management goed vorm geeft, zodat men ín control’ is. Zie voor veel meer informatie over bovenstaande vijf tips de ‘Handreiking bedrijfsvoering en financieel management SWV VO’.

De samenwerkingsverbanden zijn hier autonoom in. De wet biedt veel vrijheid. De keuzes die het samenwerkingsverband maakt worden vastgelegd in het Ondersteuningsplan (inclusief de meerjarenbegroting).

In beginsel zijn de budgetten die het samenwerkingsverband ontvangt een lumpsum, maar er zijn wel verplichte afdrachten voor leerlingen die het samenwerkingsverband verwezen heeft naar vso, lwoo en pro. En er zijn regels voor korting op het lumpsum budget van de schoolbesturen in (extreme) situaties waarin het samenwerkingsverband relatief erg veel leerlingen plaatst in het vso of lwoo/pro.

Zie voor veel meer informatie over bovenstaande de ‘Handreiking bedrijfsvoering en financieel management SWV VO

Toelaatbaarheidsverklaring (TLV)

(V)so-scholen met leerlingen met een ernstige meervoudige beperking bedienen vaak een grote regio. Zij moeten daardoor bij verschillende samenwerkingsverbanden een toelaatbaarheidsverklaring (TLV) aanvragen. Per samenwerkingsverband kunnen daarvoor andere regels en formulieren gelden. Om het aanvragen van een TLV makkelijker te maken hebben de PO-raad en de VO-raad één landelijk uniforme formulier ontwikkeld voor het aanvragen van een toelaatbaarheidsverklaring.

In eerste instantie is dit TLV-aanvraagformulier ontwikkeld voor EMB-leerlingen uit categorie A, maar kan ook worden gebruikt voor alle EMB-leerlingen (A, B en C). Het is geen wettelijke verplichting om gebruik te maken van het landelijke aanvraagformulier. De PO-raad en de VO-raad doen echter een dringend beroep op samenwerkingsverbanden om dit landelijk aanvraagformulier te gebruiken voor EMB-leerlingen.

Download het TLV-aanvraagformulier
Download de brief van de PO-Raad en de VO-raad

In de richtlijn EMB worden samenwerkingsverbanden geadviseerd om een toelaatbaarheidsverklaring voor alle EMB-leerlingen af te geven voor de gehele schoolperiode (een voor primair onderwijs en een voor voortgezet onderwijs). Deze leerlingen zijn immers langdurig aangewezen op extra ondersteuning in het (voortgezet) speciaal onderwijs. Door een TLV af te geven voor de hele schoolperiode wordt de administratieve last voor ouders en (v)so-scholen verminderd.

  • SWV-PO wordt geadviseerd om eenmalig een tlv afgeven die geldig is gedurende het hele verblijf op het SO.
  • Bij de overstap van SO naar VSO moet opnieuw een tlv worden aangevraagd bij SWV-VO. SWV-VO wordt geadviseerd om een tlv af te geven die geldig is gedurende het hele verblijf op het VSO.

Download de richtlijn EMB (PO-Raad en VO-raad)

Klik hier om de Bezwarenprocedure afgegeven TLV te bekijken. 

De school voor voortgezet (speciaal) onderwijs waar de leerling wordt aangemeld moet de toelaatbaarheidsverklaring aanvragen. Dat doet de school bij het samenwerkingsverband passend onderwijs waar de leerling woont.

Het ministerie van OCW heeft stroomschema’s ontworpen voor 4 situaties. Deze stroomschema’s laten zien welke procedures een school moet doorlopen als een leerling een extra ondersteuningsbehoefte heeft.

Nee, het is niet wettelijk verplicht dat ouders en/of voogd een TLV-aanvraag ondertekenen. Sommige scholen en samenwerkingsverbanden vragen dit wel van ouders. Dit is hun eigen beleid.

Uitgangspunt is dat de school met ouders bespreekt wat het ontwikkelingsperspectief is van de leerling, welke ondersteuning een leerling nodig heeft. Het is belangrijk dat de school uitlegt aan ouders waarom zij een TLV wil aanvragen voor het bso en dat ouders instemmen met de aanvraag.

Tegen een besluit van een samenwerkingsverband over een toelaatbaarheidsverklaring kunnen betrokken ouders, maar ook het schoolbestuur, bezwaar indienen. Elk samenwerkingsverband is wettelijk verplicht voor deze bezwaarschriftprocedure een (bezwaar)adviescommissie te hebben. Die adviescommissie brengt een advies uit aan het samenwerkingsverband dat vervolgens een beslissing moet nemen op het bezwaar.

Er is een Landelijke Bezwaaradviescommissie Toelaatbaarheidsverklaring (LBT). Lees meer informatie over wat de commissie doet en haar werkwijze.

Zorgplicht

Een kind kan vanaf 4 jaar naar school. Vanaf 3 jaar kunnen ouders/verzorgers hun kind (schriftelijk) aanmelden op een school. Als het kind extra ondersteuning nodig heeft, geven ze dit bij de aanmelding aan. De zorgplicht gaat dan direct in, ook al is het kind bij aanmelding jonger dan 4 jaar. De school moet vervolgens de aanvraag in behandeling nemen en een passende plek bieden. Soms worden kinderen aangemeld voordat zij 3 jaar zijn. In dat geval spreken we van een vooraanmelding en gaat de zorgplicht nog niet in.

Scholen mogen met een lotingsprocedure werken. Die loting vindt plaats voordat de zorgplicht ingaat. Pas na de loting wordt gekeken of er leerlingen zijn ingeloot die extra ondersteuning nodig hebben. Voor deze leerlingen geldt dan vervolgens de zorgplicht. Als een leerling wordt uitgeloot, geldt de zorgplicht niet. De school hoeft voor geen van de leerlingen die worden uitgeloot een andere plek te vinden. De school moet de procedure wel vooraf communiceren en consistent en transparant uitvoeren.

Met de invoering van passend onderwijs hebben scholen zorgplicht gekregen. Dat betekent dat als ouders hun zoon of dochter schriftelijk aanmelden bij een school naar keuze, deze school ervoor verantwoordelijk is om de leerling een passende onderwijsplek te bieden. Als een leerling op meerdere scholen wordt aangemeld, wordt aan ouders gevraagd welke school hun voorkeur heeft. Deze voorkeurschool krijgt zorgplicht.

Bij de aanmelding geven ouders aan of zij verwachten dat hun kind extra ondersteuning nodig heeft. De school is verplicht om te onderzoeken welke ondersteuning de leerling nodig heeft en om te bepalen of de school deze ondersteuning kan bieden. Als de school de benodigde ondersteuning niet zelf kan bieden, is zij verplicht om in overleg met ouders te zoeken naar een passende plek binnen het samenwerkingsverband.

Na aanmelding heeft de school 6 weken de tijd om te beslissen over de toelating van de leerling. Deze periode kan eenmaal met 4 weken worden verlengd. Als er na 10 weken nog geen besluit is genomen over de toelating van een jongere, dan heeft hij of zij recht op een tijdelijke plaatsing op de school van aanmelding. De inschrijving is geldig tot het besluit over toelating is genomen.

Het ministerie van OCW heeft stroomschema’s ontworpen voor 4 situaties. Deze stroomschema’s laten zien welke procedures een school moet doorlopen als een leerling een extra ondersteuningsbehoefte heeft.

Belangrijk:

  • Een school heeft ook zorgplicht als ouders hun zoon/dochter aanmelden, terwijl de leerling al is ingeschreven op een andere school. Dit komt bijvoorbeeld voor als ouders ontevreden zijn over de ondersteuning die wordt geboden door de school waar hun zoon/dochter is ingeschreven en onderwijs volgt.
  • De zorgplicht houdt ook in dat een school een leerling pas mag verwijderen als een andere school bereid is gevonden die leerling toe te laten. Zo wordt voorkomen dat een leerling tussen wal en schip valt.